Eerste SURE-Farm workshop: maakt het landbouwbeleid de melkveesector weerbaar?

Op 4 september kwamen 16 stakeholders naar Brussel voor de eerste workshop van het SURE-Farm project. Onder hen waren er vertegenwoordigers van de landbouworganisaties, banken, toeleveranciers van melkveebedrijven, de Vlaamse overheid, adviesverleners, melkverwerkers en supermarkten. In het Herman Teirlinckgebouw van de Vlaamse overheid gingen de deelnemers in de discussie over de vraag: maakt het landbouwbeleid de melkveesector weerbaar?

De voormiddag startte met een voorstelling van het project SURE-Farm. De verschillende onderdelen van het project en hun verschillende doelstellingen werden toegelicht aan de hand van deze presentatie. Belangrijk om hiervan te onthouden is dat inbreng van mensen uit het werkveld nodig is voor verschillende onderzoeksthema’s. Doorheen het project zullen dus verschillende overlegmomenten georganiseerd worden met stakeholders die bij de specifieke thema’s betrokken zijn. Dit wordt ook in het verslag van de workshop toegelicht. Indien u hier graag aan deelneemt, kan u dat volledig vrijblijvend aan ons laten weten.

Gedurende één uur gingen de deelnemers vervolgens in discussie over het landbouwbeleid. Vermits SURE-Farm vertrekt van het idee dat weerbaarheid van de landbouwsector steunt op haar robuustheid, aanpassingsvermogen en omschakelingsvermogen, werden deze thema’s afzonderlijk behandeld. In drie groepen brachten deelnemers argumenten aan die en positieve of negatieve invloed van het landbouwbeleid op deeleigenschappen van robuustheid, aanpassingsvermogen en omschakelingsvermogen aanwijzen. We geven hier enkele van de belangrijkste conclusies van deze discussie mee. Een uitgebreide beschrijving van de beleidsanalyse die aan deze workshop voorafging, en de inzichten die de workshop voortbracht, vind je in dit rapport.

Het beleid heeft duidelijk minder aandacht voor het omschakelingsvermogen (of transformatievermogen) van landbouwbedrijven dan voor hun robuustheid of aanpassingsvermogen. (Omschakelen dient hier niet geïnterpreteerd te worden als omschakelen van gangbare naar biologische landbouw.) Zodoende blijft het potentieel van landbouwonderwijs en maatregelen zoals KRATOS-navorming voor landbouwers om de omschakelingscapaciteit van landbouwers te verhogen onderbenut. Wat betreft aanpassingsvermogen scoort het plattelandsbeleid (PDPO III, de implementatie van de tweede pijler van het GLB) heel goed.

Door gebruik te maken van vrijwillige maatregelen biedt het plattelandsbeleid een flexibele ondersteuning, aangepast aan de diverse types bedrijven die onze landbouw kent. Ook het delen van kennis onder landbouwers, een eigenschap van landbouwsystemen met een sterk aanpassingsvermogen, wordt aangemoedigd door PDPO-maatregelen. VLIF-investeringssteun vervult hierbij een sterke, maar wel dubbele rol: het maakt fysieke aanpassingen beter betaalbaar voor landbouwers, maar het verleidt hen ook om te investeren, waardoor de schuldgraad verhoogt en landbouwers gebonden zijn aan gedane investeringen. Door grote en niet-polyvalente investeringen zoals een melkrobot of mestverwerkingsinstallatie te stimuleren kan het instrument de flexibiliteit van melkveehouders dus in het gevaar brengen.

Een uitgesproken voorbeeld van beleidsinstrumenten die robuustheid nastreven zijn de interventieregelingen van de Europese Commissie voor melk. De interventies hebben als doel om een prijsschommeling op te vangen en zo snel mogelijk de “normale” toestand te herstellen. Interventies worden automatisch opgestart wanneer de prijs van melkpoeder of boter onder een bepaald niveau zakt, onafhankelijk van wat de verwachtingen zijn omtrent vraag en aanbod op de middellange en lange termijn. Deze instrumenten hebben dus een uitgesproken korte-termijn focus, wat hen enerzijds in staat stelt om voldoende snel te reageren op prijsschommelingen, maar anderzijds ook ongewenste effecten op de langere termijn teweeg brengt, zoals bijvoorbeeld de voorraden melkpoeder die op dit moment op de markt gebracht worden, en de markt dus mee verzadigen.

De deelnemers bogen zich ook over de vraag of het beleid een voldoende lange-termijn focus hanteert voor de melkveesector. De aanzienlijke hoeveelheid steun die jonge landbouwers kunnen ontvangen is hierbij zeker een pluspunt, maar de vraag is of dit wel opweegt tegen maatregelen zoals directe inkomenssteun die alle landbouwers stimuleren om actief te blijven, en zodoende de overdracht van landbouwbedrijven vertragen.

Tenslotte werd de volgende interessante opmerking gemaakt: gaat het beleid er niet te gemakkelijk vanuit dat landbouwers ondernemers zijn? Veel landbouwers kiezen immers voor de landbouw, maar staan daarom niet te springen voor het zelfstandig ondernemerschap. Door meer opties te creëren voor verticale of horizontale integratie van landbouwbedrijven (contractteelt, onder-aannemingen, het werken in loondienst) zou het beleid ook voor deze groep landbouwers op maat gemaakte oplossingen kunnen bieden.

By |2018-09-17T09:20:38+00:00September 17th, 2018|Uncategorized|0 Comments

About the Author: